Перевод: с нидерландского на английский

с английского на нидерландский

present a play

  • 1 brengen

    [vervoeren naar] naar de spreker toe bring; van de spreker af take
    [begeleiden naar] take
    [doen toekomen] bring take, give, voor publiek perform, voor publiek present
    [in een toestand doen komen] bring send, put
    voorbeelden:
    1   de boodschappen laten brengen have the shopping delivered
    2   ze bracht haar kinderen overal heen she took her children everywhere
         mensen (weer) bij elkaar brengen bring/get people (back) together
         naar huis brengen take home
         een kind naar bed brengen put a child to bed
    3   iemand dank/hulde brengen give someone thanks, pay someone tribute
         een lied brengen perform a song
         in deze aflevering brengen wij drie reportages in this week's/today's 〈enz.〉programme we have/present three reports
         wat zal de tijd ons brengen? what will the future bring (us)?
         brengen zij dit jaar weer een toneelstuk? will they be doing another play this year?
         naar voren/in het midden brengen bring up zaak; put forward, come out with mening
         te berde brengen bring up, raise
         een zaak voor het gerecht brengen take a matter to court
    4   iemand ertoe brengen dat hij …/om …, iem tot een daad brengen drive someone to (something)
         zich(zelf) ertoe brengen om … bring oneself to …
         wat bracht je ertoe het niet te doen? what(ever) stopped you ((from) doing it)?
         wat bracht je ertoe het te doen? what(ever) made you do it?
         iemand aan het twijfelen brengen raise doubt(s) in someone's mind
         iets aan de man brengen sell something
         iemand aan het lachen brengen make someone laugh
         het gesprek op een bepaald onderwerp brengen bring the conversation round to a particular subject
         het gesprek op iets anders brengen change the subject
         wie/wat heeft hem op dat idee gebracht? who(ever)/what(ever) gave him that idea?
         tot elkaar brengen tegenstanders bring (back) together
         het nooit en te nimmer tot iets brengen never get anywhere
         het voor elkaar brengen fix things (up)
    ¶   jawel! morgen brengen not likely!
         het ver brengen go far

    Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > brengen

  • 2 tijd

    [als ononderbroken eenheid; tijdsduur] time
    [tijdstip; juiste/geschikte moment] time
    [tijdvak] time(s) period, age
    [seizoen] season time
    [taalkunde] tense
    voorbeelden:
    1   hij heeft er tijd en geld voor over he's got both the time and the money for it
         in de helft van de tijd in half the time
         in een jaar tijd (with)in a year
         na bepaalde tijd after some/a time, eventually
         geruime tijd a considerable time, a good while
         de hele tijd all the time, the whole time
         een hele tijd geleden quite a while ago
         het is hoog tijd om te vertrekken it's high time we left
         en dat is hoog tijd ook! and about time too!
         het is de hoogste tijd! in kroeg time, (gentlemen,) please!
         een tijd lang for a while/time
         ik heb haar lange tijd niet gezien I haven't seen her for/in ages/quite a while
         een lange/korte tijd duren last a long/short time
         voor onbepaalde tijd indefinitely, for an indefinite period
         sedert onheuglijke tijden since time immemorial
         sporteen scherpe tijd neerzetten record/run a fast time
         vrije tijd spare/free time, time off, leisure (time)
         waar blijft de tijd? where's the time gone (to)?
         iets een tijdje doen ook take a turn at something
         het zal mijn tijd wel duren I won't be around to see it
         het duurde een tijdje voor ze eraan gewend was it was/took a while before/until she got used to it
         ik ben niet aan tijd gebonden I'm not pressed for time
         ik geef je vijf seconden de tijd I'm giving you five seconds
         je moet jezelf de tijd geven take your time
         iemand de tijd geven/gunnen give someone time
         zich de tijd niet gunnen (om) not take the time (to)
         heb je even tijd? have you got a moment/a sec?
         die tijd heb ik gehad I'm past that now, I've been through that
         geen/genoeg tijd hebben om … have no/enough time to …
         tijd genoeg hebben have plenty of/enough time
         de tijd hebben have time
         we hebben hem een tijd niet gezien we haven't seen him for a/some while/some time
         we hebben de tijd aan onszelf our time is our own
         weinig tijd hebben not have got much time, be pressed for time
         je hebt nog 14 dagen de tijd you've got 14 days left
         tijd kosten take time
         als je geen tijd hebt, maak je maar tijd if you haven't got time, make time
         de tijd nemen voor iets take one's time about/over something
         tijd opnemen record the time
         tijd rekken sport use delaying tactics
         er is geen tijd te verliezen there's no time to lose/to be lost
         de tijd verstrijkt time passes
         dat was me nog eens een tijd! what a time that was!, those were the days!
         tijd winnen gain time; bij gevaar ook play for time
         mijn tijd zit erop ±I've done my stint
         in de baas zijn tijd during/on the boss's time
         uw tijd is om your time is up
         binnen afzienbare tijd within the foreseeable future
         binnen niet al te lange tijd (with)in the not too distant future, before (too) long
         binnen de kortst mogelijke tijd in (next to) no time
         het heeft in tijden niet zo geregend it hasn't rained like this for ages
         met de tijd breidde de hongersnood zich uit as time went on the famine spread
         dit zal met de tijd wel beter gaan it'll probably get better in time
         met zijn tijd geen raad weten have time on one's hands
         na korte tijd lukte het ons om … we soon managed to …
         sportde 400 meter op tijd lopen run a timed 400 metres
         sinds enige tijd for some time (past)
         een tijd van 11 seconden a time of 11 seconds
         het is maar voor korte tijd it's only for a short while
         voor de tijd van for a period of
         spreekwoord de tijd zal het leren time will tell
    2   de tijd van aankomst the time of arrival
         vorig jaar om dezelfde tijd (at) the same time last year
         de plaatselijke tijd local time
         de tijd is rijp om … the time is ripe to …
         heeft u de tijd ? have you got the time?
         pregnanthet is tijd it's time; tijd om te stoppen time's up
         pregnantals het mijn tijd is when my time comes
         't is allang tijd geweest it's long past/ informeelway past/way over time
         als de tijd daar is when the time/day comes
         Algemeen Zuid-Nederlandszijn tijd uitdoen serve one's time
         zijn tijd uitzitten serve/ informeel do one's time
         de tijd verdrijven/korten/doden kill time
         eindelijk! het werd tijd at last! it was about time (too)!
         het wordt tijd dat … it is (high) time that …
         pregnanthet wordt mijn tijd I must be off, it's time for me to go
         bij tijd en wijle now and again/then
         morgen/gisteren om deze tijd (about/ Aaround) this time tomorrow/yesterday
         tijd om te eten/te slapen time to eat/to go to bed
         op vaste tijden at set/fixed times
         Algemeen Zuid-Nederlandsop tijd en stond in due course
         net op tijd just in time
         op tijd in time 〈om iets te doen/voorkomen〉; on time volgens een bepaald tijdschema, afspraak e.d.〉
         de bussen lopen precies op tijd the buses run to/on time/schedule
         stipt op tijd punctual; informeel on the dot
         ruim op tijd with plenty of time to spare
         op tijd naar bed gaan not go to bed late
         zij is over tijd she's late with her period, her period's late/overdue
         rond die tijd around then/that time
         sinds korte tijd recently, lately
         te allen tijde at all times
         te zijner tijd in due course, when appropriate
         tegen die tijd by that time, by then
         ten tijde van hun huwelijk at the time of their marriage
         ten tijde van Hendrik VIII in the days/time/age of Henry VIII
         van tijd tot tijd from time to time
         van die tijd af from that time (on/onward(s), (ever), since (that time)
         een tijd van komen en een tijd van gaan ±nothing lasts forever
         warm voor de tijd van het jaar warm for the/this time of year
         sterven voor zijn tijd die before one's time/prematurely
         je moet de eerste tijd nog rustig aandoen to begin with/at first you must take it easy
         in minder dan geen tijd in (less than) no time
         een tijdje a while
         veel tijd in beslag nemen take up a lot of time
         tijd te kort komen run out/run short of time
         spreekwoord komt tijd, komt raad time reveals all things
    3   betere tijden gekend hebben have known better times/seen better days
         een dure tijd a time/period when the cost of living is high
         goede/slechte tijden good/bad times
         de laatste tijd lately, recently
         hij heeft een moeilijke tijd gehad he's been through/had a hard time
         de goede oude tijd the good old days
         dat is allemaal verleden tijd that's all in the past/water under the bridge
         zijn (beste) tijd gehad hebben be past one's best/prime, have seen better days
         die tijd is geweest/‘voorbij’ those days are gone/past/over
         er is een tijd geweest dat … there was a time when …
         niet met zijn tijd meegaan be behind the times
         de tijden zijn veranderd times have changed
         zijn tijd (ver) vooruit zijn be (far/well/ informeel (way) ahead of one's time
         bij tijden at times/intervals
         (goed) bij de tijd zijn be right up to date, be on the ball
         in tijden van oorlog in times of war
         in deze/onze tijd in these times, nowadays
         in deze tijd van het jaar at this time of (the) year
         in vroeger tijd in earlier times/the past
         met zijn tijd meegaan keep up with/move with the times
         uit de tijd raken go/get/become out of date; become outdated
         die muziek is uit de tijd that music is out of date/old-fashioned
         dat was voor mijn tijd that was before my time/day
         dat was voor die tijd heel ongebruikelijk in/for those days it was most unusual
         vóór die tijd was het een klooster it used to be/previously it was a monastery
         vóór de tijd van de auto before the era of the car
    5   de tegenwoordige/verleden tijd the present/past tense
         figuurlijkdat is voltooid verleden tijd that's over and done with, that's ancient history

    Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > tijd

См. также в других словарях:

  • play-act — v. 1 intr. act in a play. 2 intr. behave affectedly or insincerely. 3 tr. act (a scene, part, etc.). Derivatives: play acting n. play actor n. * * * v pretend, put on, assume, feign, sham, counterfeit, fake, fabricate, simulate, bluff,… …   Useful english dictionary

  • play-acting — UK / US noun [uncountable] behaviour in which you pretend to be upset, injured etc in order to get sympathy or an advantage Derived word: play act verb intransitive Word forms play act : present tense I/you/we/they play act he/she/it play acts… …   English dictionary

  • Play Along Toys — is Florida based toy company, a wholly owned division of Jakks Pacific. In 1999, the founders of Play Along chose the Britney Spears Doll line as the first licensing venture with their new company, the choice proving a success and followed by… …   Wikipedia

  • Play School (Australian TV series) — Play School Genre Children s television Written by Henrietta Clark Presented by see Presenters Theme music composer Richard Connolly (lyrics by Rosemary Milne) …   Wikipedia

  • Present simple (inglés) — Saltar a navegación, búsqueda En inglés, Present simple es el tiempo verbal de presente (y aspecto no perfectivo) que expresa acción habitual, es decir, hábitos, rutinas en la vida cotidiana. Se diferencia del present perfect en que éste último… …   Wikipedia Español

  • Present Laughter — is a comedic play written by Noel Coward in 1939 and first staged in 1942 as part of a double bill with his lower middle class domestic drama This Happy Breed ; later the double bill was expanded to include Coward s new play Blithe Spirit .… …   Wikipedia

  • play about — To behave irresponsibly, not seriously • • • Main Entry: ↑play * * * ˌplay a ˈbout ˌplay a ˈround [intransitive] [present tense I/you/we/they play about …   Useful english dictionary

  • Play-Doh — Type Modelling clay Inventor Joseph McVicker Bill Rhodenbaugh Company Rainbow Crafts (former) …   Wikipedia

  • play off against — ˌplay ˈoff a ˌgainst [transitive] [present tense I/you/we/they play off against he/she/it plays off against present participle playing off against …   Useful english dictionary

  • PLAY.FM — is an web radio and online audio database for DJ and club culture. DJ sets, radio shows and live recordings are collected and can be listend to on demand. The PLAY.FM studio and the office are located in the Museumsquartier in the 7th district of …   Wikipedia

  • play — [n1] theater piece comedy, curtain raiser*, drama, entertainment, farce, flop*, hit*, mask*, musical, one act*, opera, performance, potboiler*, show, smash*, smash hit*, stage show, theatrical, tragedy, turkey*; concept 263 play [n2] amusement,… …   New thesaurus

Поделиться ссылкой на выделенное

Прямая ссылка:
Нажмите правой клавишей мыши и выберите «Копировать ссылку»